Voorzitter van de jury
Marcel Cuvelier
België, °1899 - 1959
Meer informatie
Jean Absil
België, °1893 - 1974
Jean Absil was eerst leerling van Alphonse Oeyen, organist van de Basiliek van Bonsecours, en volgde daarna, vanaf 1913, les aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel. Na orkestratie en compositie bij Paul Gilson gestudeerd te hebben, kreeg hij de prijs van Rome en de Rubensprijs. Hij volgde eveneens lessen bij Florent Schmitt.

Hij was docent aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel en aan de Muziekkapel Koningin Elisabeth maar ook, gedurende meer dan veertig jaar, Directeur van de Academie van Etterbeek, die sedert 1963 zijn naam draagt. Hij was ook lid van de Koninklijke Academie van België.

Gedurende heel zijn leven hebben twee activiteiten Jean Absil bezig gehouden: onderwijs en componeren. Als pedagoog heeft hij gedurende veertig jaar generaties van toondichters gevormd. Hij was een leider die de geest van zijn leerlingen opengesteld heeft voor de muziek van hun tijd. Jean Absil vormde een synthese van de Franse school, Stravinsky, Bartok, de polytonale, atonale en seriële muziek (J. Stehman).

Zijn oeuvre omvat alle genres. Zijn eerste markante werk was La mort de Tintagiles. Uit zijn opzoekingen over de polytonaliteit en de atonaliteit ontstond een korte studie: Postulat de la musique contemporaine waarvoor Darius Milhaud een voorwoord schreef. Tussen 1926 en 1929 paste Jean Absil vooral de principes van zijn stijl toe op talrijke stukken kamermuziek. In 1936 kwam hij terug tot de grote orkestrale werken met de 2de Symfonie en de concerto's voor diverse instrumenten, waaronder een Concerto voor piano, dat voor de Internationale Ysaÿewedstrijd van 1938 verplicht werd en waardoor zijn faam definitief gemaakt werd.

Jean Absil schreef grote werken zoals Les Bénédictions, Pierre Breughel l’Ancien, Les Voix de la Mer, alsook talrijke koorwerken, zowel geestelijke als profane. Hij heeft anderzijds ook vaak inspiratie gezocht in de folklore en in de subtiliteit van Oost-Europese ritmes.

Joseph Dopp, die de Absiliaanse schrijfwijze karakteriseert, merkt terecht op dat het oor nooit een gevoel van tonale onzekerheid ondervindt bij het beluisteren van een werk van Jean Absil: als men niet meer mag refereren naar het klassieke “majeur-mineur” is het omdat de toondichter steeds weer nieuwe uitdrukkingen uitvindt en die van het ene naar het andere vernieuwt. Daaruit worden akkoorden geboren die, hoewel ze van de klassieke akkoorden verschillen, toch net als deze expressie, spanning en rust bevatten. Het werk van Jean Absil is nooit absoluut polytonaal: de schijnbare tonale onafhankelijkheid van de stemmen verdwijnt tenslotte steeds ten voordele van een enige tonaliteit.
  • Biografie
Meer informatie
Nadia Boulanger
Frankrijk, °1887 - 1979
Nadia Boulanger (1887-1979) was a teacher whose influence carried far beyond the academic milieu in which she worked. At age twenty-one, after studying at the Paris Conservatoire, she won the prestigious Prix de Rome which entitled her to three years' study in Rome. On her return, she became an enthusiastic admirer of Stravinsky, who then lived in Paris, and was a staunch friend of the composer when his strikingly original scores for Diaghilev's Ballets Russes resulted in fierce opposition from the Parisian public and the French academic establishment.

Contact with Stravinsky and his circle increased her determination to bring contemporary music to a wider audience and, as conductor and pianist, she premiered many works by rising composers, including the first performance in Washington in 1938 of Stravinsky's Dumbarton Oaks and, at the keyboard, the first performance of an organ symphony written for her by Aaron Copland. She spent the Second World War in the United States, where she was the first to record Monteverdi, and the first woman to direct the Boston Symphony and New York Philharmonic orchestras.

Her teaching at the American Conservatory in Fontainebleau was highly disciplined, but inspirational. She readily embraced serial and other unconventional techniques, but her principal models were Fauré, Bartók, Debussy, Ravel, and of course, Stravinsky. Her pupils came from all over the world, among them the American composers Walter Piston, Roy Harris, Aaron Copland, Elliott Carter and Philip Glass. Her British pupils included Lennox Berkeley, Thea Musgrave and Nicholas Maw. Her French alumni were Jean Françaix and Igor Markevich, a Russian-born protégé of Diaghilev.

Equally influential was her intimate knowledge of Renaissance and Baroque masters, whose works were rarely performed with any degree of authenticity in Europe or America. Her scholarly approach in a recording of Monteverdi's 1610 Marian Vespers was a path-finding example of "historically informed" performance of a kind now widely accepted as the most convincing approach to the realization of early music.
  • Biografie
Meer informatie
Sem Dresden
Nederland, °1881 - 1957
Sem Dresden (1881-1957), geboren in Amsterdam, komt uit een handelsfamilie. Hij kreeg lessen harmonie van Fred Roeske en compositie van Bernard Zweers. Van 1903 tot 1905 studeerde hij aan het Stern'sche Konservatorium in Berlijn bij Hans Pfitzner (compositie en directie).

Terug in Nederland begon hij zijn carrière als koordirigent in Tiel. In 1914 richtte hij de Motet- en Madrigaal-Vereeniging op, bestaande uit negen zangers (onder wie zijn echtgenote Jacoba Dhont). Met dit grondig getrainde ensemble voerde hij niet alleen renaissance- en barok-polyfonie uit, maar ook romantisch en eigentijds repertoire. Veel werken werden door Nederlandse componisten voor dit ensemble geschreven. Het werd in 1928 opgevolgd door de Haarlemse Motet- en Madrigaalvereeniging.

In 1919 werd hij hoofdleraar compositie aan het Amsterdams Conservatorium; sinds 1924 was hij directeur van dit instituut, daarna van 1937 tot 1949 van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Tijdens de oorlogsjaren was hij als Jood van deze post ontheven. Kort voor zijn dood heeft hij zich tot het Rooms-Katholicisme bekeerd.

Sem Dresden heeft als musicus, docent, bestuurder en publicist een grote invloed gehad op het Nederlandse muziekleven. Hij had zitting in talrijke commissies en besturen (o.m. Raad voor de Kunst, KNTV, Stichting Jeugd en Muziek). Zijn artikelen verschenen in De Amsterdammer en De Telegraaf (1918-27) en in de bundel Stromingen en Tegenstromingen (1953). Zijn Algemene Muziekleer werd elf maal herdrukt. Tot zijn leerlingen behoren Marius Monnikendam, Leo Smit, Eduard van Beinum, Willem van Otterloo, Jan Mul en Cor de Groot.

Als componist was Sem Dresden Frans georienteerd, en stond hierin dicht bij Pijper. Tot de kamermuziekwerken behoren een Sonate voor fluit en harp (1916) en een Sonate voor cello en piano (1918). Verder schreef hij o.m. concerten (twee daarvan voor viool), Dansflitsen voor orkest (1951), en vocale werken, waaronder Chorus tragicus (1927) en 'Chorus symphonicus' (1944). Uit oorlogstijd dateert ook de operette Toto (op eigen tekst). Zijn laatste werk is de opera in één akte François Villon (georkestreerd door Jan Mul).
  • Biografie
Meer informatie
Camargo Guarnieri
Brazilië, °1907 - 1993
Na het overlijden van Heitor Villa-Lobos werd Mozart Camargo Guarnieri de meest bekende Braziliaanse componist. Zijn muziek is even doordrongen van een zekere Braziliaanse kwaliteit (Brasilidad) als die van zijn voorganger, maar is niet zo polyfonisch complex. Camargo Guarnieri is vooral bekend om zijn liederen en dansstukken, waarvan er veel ook succesvol geworden zijn als populaire liedjes.

Zijn vader was een Siciliaanse immigrant die elk van zijn kinderen de naam van een groot componist gaf. Op zijn tiende begon Camargo Guarnieri de impliciete belofte van zijn naam te vervullen door muziek te gaan studeren. In 1923 verhuisde het gezin naar São Paolo, waar hij pianoles kreeg en in de orkesten van stille filmtheaters en cafébands speelde om het gezin financieel te steunen en zijn muziekstudies te betalen. Hij studeerde ook compositie en orkestdirectie aan het Conservatorium van São Paolo en werkte aan het componeren van liederen.

Camargo Guarnieri's werk in de populaire muziek en zijn contact met de nationalistische etnomusicoloog Mario de Andrade leidde hem ertoe populaire Braziliaanse- en folkinvloeden op te nemen in zijn composities. Tegen de tijd dat hij 21 was had hij zijn Braziliaanse dans en zijn Canção Sertaneja uitgebracht, twee zeer populaire stukken die zijn naam op de kaart zetten. In 1927 begon hij piano te geven aan het Conservatorium.

In 1935 richtte de stad São Paulo een Ministerie van Cultuur op. Camargo Guarnieri werd aangesteld als dirigent en kreeg vooral lof als koordirigent. In 1938 kon hij dankzij een regeringsbeurs in Parijs gaan studeren. Hij volgde contrapunt, fuga, compositie en muzikale esthetiek bij componist Charles Koechlin, orkestdirectie bij Franz Ruhlmann en volgde masterclasses bij Nadia Boulanger. Bij zijn terugkeer in Brazilië begon hij vol zelfvertrouwen werken op grotere schaal te componeren. In 1942 won zijn vioolconcerto de eerste prijs van de Philadelphia Free Library Fleischer Music Collection. Vooral zijn kleine symfonische stuk Encantamento werd populair. In het begin van de jaren 1940 werden zijn eerste twee symfonieën in première uitgevoerd in Brazilië en de Verenigde Staten en zijn 2de werd bekend als de Symphony of the Americas.

In 1945 werd hij benoemd tot dirigent van het Symfonisch Orkest van São Paolo en in 1960 werd hij directeur van het Conservatorium.

De meeste van zijn werken bevatten een verscheidenheid aan Braziliaanse elementen. Zijn 3de Symfonie, uit 1952, is gewijd aan de 400ste verjaardag van de stichting van de stad São Paolo. Camargo Guarnieri schreef naast opera en symfonieën ook vioolsonates, maar het kroonjuweel van zijn oeuvre is zijn reeks van meer dan 200 liederen. Deze weerspiegelen de belangrijkste stromingen in de Braziliaanse muziek: de Portugese, Afro-Braziliaanse en Indiaanse. Veel van hen werden door populaire Braziliaanse muzikanten gezongen.

Rond 1960 begon Camargo Guarnieri 12-toons elementen in zijn muziek op te nemen, maar nam daarna de tijd om zijn esthetische benadering te heroverwegen. Uiteindelijk keerde hij terug naar zijn vaste stijl, om nog meer de nadruk te leggen op nationale en populaire elementen.
  • Biografie
Meer informatie
Léon Jongen
België, °1884 - 1969
Na beëindiging van zijn studies aan het Conservatorium van Luik, werd Léon Jongen organist aan de Sint-Jacqueskerk in zijn geboortestad. In 1913 behaalde hij de Eerste Grote Prijs van Rome voor zijn cantate Les fiancés de Noël. Hij startte een carrière als pianist. In 1918 na Wereldoorlog I reisde hij naar verre oorden zoals Afrika, Indië, China, en Japan en was hij 2 jaar lang directeur en dirigent van de Opéra Français van Hanoï.

Terug in België werd hij in 1934 docent fuga aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel, waar hij nadien zijn broer Joseph opvolgde als directeur. Van 1939 tot 1949 dirigeerde hij concerten aan het conservatorium. Zijn Vioolconcerto was het verplichte werk voor de Koningin Elisabethwedstrijd in 1963.

Léon Jongen schreef tal van symfonische werken en had een voorliefde voor het theater. Zijn opera Thomas l’Agnelet is één van de beste lyrische werken ooit in België geschreven. Hoewel hij een groot bewonderaar was van de Franse romantische school en lichtjes werd beïnvloed door César Franck, evolueerde hij toch naar meer modernistische opvattingen.
  • Biografie
Meer informatie
Victor Legley
België, °1915 - 1994
Victor Legley (1915-1994) kreeg zijn eerste muzieklessen - altviool, harmonie en contrapunt - in Ieper bij Lionel Blomme. In 1935 begon zijn studietijd aan het Conservatorium te Brussel, waar hij eerste prijzen altviool, kamermuziek, contrapunt en fuga behaalde. Van 1936 tot 1948 speelde hij altviool in het Groot Symfonish Orkest van de N.I.R. Op aanraden van zijn collega altviolist Gérard Ruymen ging hij in 1941 lessen compositie volgen bij Jean Absil, een studie die in 1943 bekroond werd met een Tweede Romeprijs.

Na de Tweede Wereldoorlog speelde hij in het Muntorkest en het Kwartet Déclin, dat hem de muziek van Bartók en Schönberg deed ontdekken. In 1947 werd hij programmator bij de N.I.R., vervolgens raadgever-diensthoofd voor "ernstige muziek" en voor het derde programma van de Vlaamse radio-uitzendingen. In deze functie trachtte hij de hedendaagse muziek, in de eerste plaats de Belgische, te promoten.

Van 1948 tot 1950 was Victor Legley leraar aan het Stedelijk Conservatorium van Leuven. In 1949 werd hij benoemd tot professor harmonie aan het Conservatorium van Brussel en in 1956 tot professor compositie en analyse aan de Muziekkapel Koningin Elisabeth. Beide functies bekleedde hij tot in 1979.

In 1965 werd hij lid van de Koninklijke Academie van België en was er voorzitter vanaf 1972. Tevens is hij de auteur van verschillende Mededelingen van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België. Hij was voorzitter van SABAM van 1980 tot 1992, en van de Unie van Belgische Componisten van 1986 tot 1990. Ook is hij meerdere malen jurylid en voorzitter geweest in verschillende internationale wedstrijden, zoals de Koningin Elisabethwedstrijd, het Concours International de Chant Lyrique de Verviers en de Internationale Pianowedstrijd Bösendorfer-Empire.

In 1986 werd Victor Legley grootofficier van de Leopoldsorde. De Vrije Universiteit Brussel reikte hem in 1987 een eredoctoraat uit. Daarnaast werden hem een groot aantal prijzen en onderscheidingen toegekend, hetzij voor specifieke werken, hetzij voor zijn hele oeuvre. Bovendien vertegenwoordigde hij België op verschillende buitenlandse festivals en congressen voor nieuwe muziek.
  • Biografie
Meer informatie
Francesco Malipiero
Italië, °1882 - 1973
Francesco Malipiero werd geboren in Venetië in een familie van musici. Zowel zijn grootvader Francesco als zijn neef Riccardo waren componisten, en zijn vader, Luigi, was een pianist en dirigent. Van 1898 tot 1899 studeerde hij kort aan het Conservatorium van Wenen, van 1899 tot 1902 studeerde hij contrapunt bij Marco Enrico Bossi in het Liceo Musicale in Venetië en was hij de assistent van componist Antonio Smareglia, en in 1908 ging hij les volgen bij Max Bruch in Berlijn.

Ervaringen die een blijvende invloed uitgeoefend hebben op zijn creatieve persoonlijkheid waren zijn ontdekking van de vroege Italiaanse muziek (Monteverdi, Frescobaldi, Merulo en anderen), zijn verblijf in Parijs in 1913, toen hij bevriend raakte met Alfredo Casella en waar hij aanwezig was bij de première van Le Sacre du Printemps van Stravinsky, die, zoals hij later zei, hem wakker schudde "uit een lange en gevaarlijke lethargie." De Eerste Wereldoorlog verstoorde zijn leven, maar hij beschouwde die periode als een aanzet tot een nieuwe richting in het beoefenen van zijn kunst.

In de vroege jaren '20 in Rome trad Francesco Malipiero toe tot Casella's Società Italiana di Musica Moderna, en samen richtten ze de Corporazione delle Nuove Musiche op. Van 1926 tot 1942 maakte hij een uitgave van het integrale werk van Monteverdi en van 1939 tot 1952 was hij directeur van het Liceo Musicale van Venetië. Als voorzitter van het Istituto Italiano Antonio Vivaldi verzorgde hij de publicatie van de instrumentale muziek van de componist in 1947. Zijn creatieve energie bleef sterk aanwezig tot aan zijn dood in Treviso in 1973.
  • Biografie
Meer informatie
Frank Martin
, °1890 - 1974
Frank Martin (1890-1974) was born in Geneva, as the tenth and youngest child of a clergyman's family. He played and improvised on the piano even before he went to school. By the age of nine he had composed charming children's songs that were perfectly balanced without ever having been taught musical forms or harmony. A performance of Bach's St. Matthew Passion, heard at the age of twelve, left a lasting impression on the composer, for whom J.S. Bach remained the true master.

He attended classical languages high school and, to please his parents, went on to study mathematics and physics at the University of Geneva for two years. Simultaneously he started studying piano and composition with Joseph Lauber, who initiated him in the "craft", especially in instrumentation. Between 1918 and 1926 Frank Martin lived in Zurich, Rome and Paris, working on his own, searching for a personal musical language.

In 1926 he founded the Société de Musique de Chambre de Genève which he led as pianist and harpsichord player for ten years. He taught improvisation and theory of rhythm at the Institut Jacques-Dalcroze and chamber music at the Geneva Conservatory of Music. He was artistic director of the Technicum Moderne de Musique from 1933 to 1940 and president of the Swiss Association of Musicians between 1942 and 1946.

In 1932 he became interested in the 12-tone technique of Arnold Schönberg. He incorporated certain elements into his own musical language, creating a synthesis of the chromatic and twelve-tone techniques, without however abandoning the sense of tone - that is, the hierarchical relations between notes. Le Vin Herbé (1941) was the first important work in which he completely mastered this very personal idiom. Together with the Petite Symphonie Concertante (1944-45) it established his international reputation.

Frank Martin's many musical activities in Switzerland interfered with the peace and concentration his compository work required. Consequently he decided to move to the Netherlands in 1946. For ten years he lived in the centre of Amsterdam before finally settling in the little town of Naarden in 1956. Between 1950 and 1957 he taught composition at the Staatliche Hochschule für Musik in Cologne.

After that he ceased all teaching activities, preferring to work at home and to make occasional tours with the Swiss cellist Henri Honegger and to accept invitations to conduct his own music at many important musical centres, including those in the United States.

He received many honours and awards from all over the world. In the extensive "oeuvre" of Frank Martin oratorios play an important part. In May 1973 he conducted the world premiere of his Requiem in the Cathedral of Lausanne. His compositions kept the same vitality until the end of his life. He worked on the cantata Et la vie l'emporta until ten days before his death on 21 November 1974.
  • Biografie
Meer informatie
Bohuslav Martinů
Tsjechische Republiek, °1890 - 1959
Bohuslav Martinů (1890-1959) was born in a room at the top of a church tower in Policka, a small town in the Bohemian-Moravian highlands (his cobbler father, Ferdinand, was also a bell-ringer and fire-watcher). He showed early promise as a violinist and was composing when barely into his teens. In 1906 the citizens of Policka collected the funds to send him to the Conservatoire in Prague, but his academic career was not a success.

By the age of 20, while earning his living as an orchestral violinist, Bohuslav Martinů was composing prolifically and maintained this productivity for the rest of his life. The first important influence on his music was Claude Debussy, followed by Stravinsky, but soon an individual voice began to emerge, characterised by motoric, insistent rhythmic patterns and a natural, folklike melodiousness.

In 1923 Bohuslav Martinů moved to Paris where he studied with Albert Roussel and, in 1931, married Charlotte Quennechen, whose work as a dressmaker supported him while he continued to compose. Although he now seemed settled in Paris for good, he was becoming more aware of his Czech roots, and Czech themes and Czech authors featured prominently in his music. The threatened German invasion of Czechoslovakia prompted a work of protest, the powerful Double Concerto for two string orchestras, piano and timpani - perhaps the best of the many concerti grossi he composed in the 1930s. With the Nazi invasion of France in 1940 Bohuslav Martinu and his wife fled before the advancing troops, escaping to the United States via Spain and Portugal.

In 1942 he began the first of what were to be six symphonies, the first five written at the rate of one a year - although, of course, he was, as always writing much else besides. A succession of teaching posts gave him some financial security, but a fall from a balcony in 1946 resulted in serious injury and high medical bills, and a temporary interruption in his ability to write music.

Bohuslav Martinů had been considering a return to Czechoslovakia since the end of the Second World War, but the seizure of power by the Communists in 1948 forced him to the reluctant conclusion that he might never see his homeland again. In the early 1950s he again began to spend more time in Europe and moved to Nice in 1953, returning to America two years later to take up a teaching position at the Curtis Institute in Philadelphia; by now he was again composing as prolifically as before his accident. His post at the Curtis Institute lasted only a year: in 1956, eager to be back in Europe, he accepted a teaching post in Rome, at the American Academy of Music, and the following year he gratefully took advantage of a generous offer by the Swiss conductor and maecenas Paul Sacher and moved to Sacher’s estate in Switzerland. There he lived until his death in 1959.
  • Biografie
Meer informatie
Aloys Mooser
Zwitserland, °1876 - 1969
Meer informatie
Andrzej Panufnik
Polen, Groot-Brittannië, °1914 - 1991
Andrzej Panufnik was born in in Warsaw and grew up in a musical family, beginning to compose at the age of nine. He gained his diploma at the Warsaw State Conservatoire and travelled to Vienna to study conducting with Felix Weingartner, and to Paris and London for further composition studies. At the outbreak of war he returned to Warsaw where he remained throughout the Nazi occupation. Under a pseudonym he wrote patriotic songs, also playing the piano in underground and charity concerts (often piano duets with Witold Lutoslawski). All his compositions were destroyed in the 1944 Warsaw Uprising, though he reconstructed three scores in the following years.

After the war, Andrzej Panufnik held conducting positions with the Krakow Philharmonic and the Warsaw Philharmonic, also appearing as a guest conductor with many of the leading European orchestras such as the Berlin Philharmonic, the Orchestre National, Paris, and the London Philharmonic. In 1950 he was elected vice-chairman, with Arthur Honegger, of the International Music Council of UNESCO; and as head of a Polish cultural delegation to China in 1953, he was personally received by Chairman Mao.

In 1954 Andrzej Panufnik left Poland as a protest against political control over creative artists, resulting in the total supression of his name and music. He settled in England and subsequently gained British nationality. From 1957-59 he was musical director of the City of Birmingham Symphony Orchestra, his last official position before deciding to concentrate on composing. In 1977, after a 23-year long silence, Panufnik's music was once again heard in Poland, and in 1990 the composer made a momentous return to his native country to conduct a programme of his works to open the Warsaw Autumn Festival. His autobiography, Composing Myself, was published in 1987 by Methuen (UK). The composer received a British knighthood in January 1991, and following his death nine months later was awarded a Polish knighthood by President Lech Walesa.

Andrzej Panufnik's oeuvre is dominated by a series of large-scale orchestral works, including commissioned scores for the Boston, Chicago and London Symphony Orchestras. As well as the ten symphonies, his output includes concertos for piano, violin, bassoon and cello, three string quartets, vocal and choral music, works for young people, and transcriptions of old Polish music. His compositions have been performed by many leading musical interpreters, including Stokowski, Horenstein, Solti, Ozawa, Previn, Menuhin and Rostropovich.
  • Biografie
Meer informatie
Marcel Poot
België, °1901 - 1988
Marcel Poot (1901-1988), zoon van Jan Poot, directeur van de Koninklijke Vlaamse Schouwburg, groeide op in een artistieke omgeving. Zijn eerste muzieklessen kreeg hij van de organist Gerard Nauwelaerts en vervolgens leerde hij van 1916 tot 1919 notenleer, piano en harmonie aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel bij Arthur De Greef, José Sevenans en Martin Lunssens.
De eerste prijzen in contrapunt (1922) en fuga (1924) behaalde hij aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium van Antwerpen bij Lodewijk Mortelmans. Bovendien was hij privé-leerling van Paul Gilson voor compositie en orkestratie.

Poot en Gilson waren samen de uitgevers van La Revue Musicale Belge, een tijdschrift dat vanaf 1925 verscheen. In datzelfde jaar richtte hij met zeven andere leerlingen van Gilson de groep Les Synthétistes op, met als doel de verworvenheden van de toenmalige muzikale evoluties te synthetiseren zonder de eigen individualiteit op te geven. In 1930 behaalde hij de Rubensprijs, waardoor hij drie maanden les kon volgen bij Paul Dukas aan de Ecole Normale de Musique te Parijs.

Zijn loopbaan startte Marcel Poot aan de Rijksmiddelbare school en als leraar piano, notenleer en muziekgeschiedenis aan de Academie van Vilvoorde. Voordat hij directeur werd van het Conservatorium van Brussel (1949-1966), doceerde hij er practische harmonie (1939) en contrapunt (1940-1949). Hij was onder meer lector aan het Institut Supérieur des Arts Décoratifs, rector van de Muziekkapel Koningin Elisabeth (1970-1976), lid van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten, juryvoorzitter van de Koningin Elisabethwedstrijd (1963-1981), voorzitter van SABAM, de unie van Belgische Componisten en CISAC, en jurylid van verschillende compositiewedstrijden.
  • Biografie
Meer informatie
Domingo Santa Cruz (Wilson)
, °1899 - 1987
Meer informatie
Herbeleef de optredens van Piano 2021
Volg ons op Instagram
Deze Website maakt gebruik van cookies om u de best mogelijke ervaring te bieden.
Door op « ACCEPTEREN » te klikken of door verder te gaan met het gebruik van de Website, aanvaardt u het gebruik van cookies in uw webbrowser. Voor meer informatie over ons cookiebeleid en de verschillende soorten cookies die worden gebruikt, klikt u op Meer informatie
ACCEPTEREN