Voorzitter van de jury
Léon Jongen
België, °1884 - 1969
Na beëindiging van zijn studies aan het Conservatorium van Luik, werd Léon Jongen organist aan de Sint-Jacqueskerk in zijn geboortestad. In 1913 behaalde hij de Eerste Grote Prijs van Rome voor zijn cantate Les fiancés de Noël. Hij startte een carrière als pianist. In 1918 na Wereldoorlog I reisde hij naar verre oorden zoals Afrika, Indië, China, en Japan en was hij 2 jaar lang directeur en dirigent van de Opéra Français van Hanoï.

Terug in België werd hij in 1934 docent fuga aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel, waar hij nadien zijn broer Joseph opvolgde als directeur. Van 1939 tot 1949 dirigeerde hij concerten aan het conservatorium. Zijn Vioolconcerto was het verplichte werk voor de Koningin Elisabethwedstrijd in 1963.

Léon Jongen schreef tal van symfonische werken en had een voorliefde voor het theater. Zijn opera Thomas l’Agnelet is één van de beste lyrische werken ooit in België geschreven. Hoewel hij een groot bewonderaar was van de Franse romantische school en lichtjes werd beïnvloed door César Franck, evolueerde hij toch naar meer modernistische opvattingen.
  • Biografie
Meer informatie
Renata Borgatti
Italië, °1894 - 1964
Meer informatie
Harriet Cohen
Groot-Brittannië, °1895 - 1967
De Engelse pianiste Harriet Cohen studeerde aan de Royal Academy of Music (1912-1917) en aan de Matthay School, waar ze nadien zelf les gaf. Haar kleine handen beperkten haar repertoire, maar ze bouwde snel een reputatie op als uitvoerder van Bach en als een overtuigend pleitbezorger voor de Engels muziek van haar tijd. Ze speelde op het Salzburger Contemporary Music Festival in 1924, op het Coolidge Festival in Chicago in 1930 en gaf in 1933 de eerste uitvoering van Vaughan Williams' Concerto, dat aan haar gewijd is. Ze raakte gewond aan haar rechterhand in 1948 en speelde met één hand tot 1951, maar haar verwondingen genazen nooit helemaal en in 1960 ging ze met tegenzin met pensioen. Ze werd benoemd tot Commander of the British Empire in 1938, ereburger van de Stad van Londen in 1954, en ontving vele onderscheidingen uit andere landen. De Harriet Cohen International Music Prizes werden in 1951 opgericht door onder anderen Sir Arnold Bax.

Harriet Cohen werd gekozen door Edward Elgar om zijn Piano Kwintet op te nemen en ze maakte tal van eerste opnames van de muziek van Arnold Bax, wiens pianostukken bijna allemaal voor haar werden gecomponeerd, met inbegrip van een Concertante voor linkerhand. In 1932 verzamelden twaalf toonaangevende Britse componisten transcripties in A Bach Book for Harriet Cohen. Zijzelf publiceerde enkele Bach transcripties, een boekje over interpretatie, Music's Handmaid (1936, 2/1950) en haar memoires, A Bundle of Time (1969), met brieven van eminente vrienden.
  • Biografie
Meer informatie
Eduardo del Pueyo
, °1905 - 1986
De Spaanse pianist en pedagoog Eduardo del Pueyo (1905-1986) verwierf in 1927 te Parijs bekendheid als pianist tijdens concerten die georganiseerd werden om de honderdste verjaardag van het overlijden van Beethoven te vieren. Enkele maanden later besloot hij - tot ieders verbazing - zijn carrière terzijde te schuiven om het onderricht van Marie Jaëll te bestuderen, leermeesteres van een nieuwe pedagogie gebaseerd op de psychofysiologie. Toen hij in 1937 weer in het openbaar verscheen in Brussel, was men verwonderd over zijn manier van spelen en zijn aanslag. Zijn lievelingscomponisten waren Beethoven, Liszt en Debussy, maar ook Spaanse componisten, zoals Albéniz. Vanaf 1947 was Eduardo del Pueyo leraar aan het Conservatorium van Brussel. Hij leidde een groot aantal pianisten op, waarvan verschillenden laureaat zouden worden bij de Koningin Elisabethwedstrijd.
  • Biografie
Meer informatie
Alex De Vries
, °1919 - 1964
Alex De Vries (1919-1964) werd geboren in Amsterdam maar kwam reeds op jonge leeftijd naar Antwerpen. Als elfjarige maakte hij zijn debuut als pianist. Hij studeerde aan het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen van 1928 tot 1940 en behaalde daar het diploma voor piano (1935), harmonie (Edward Verheyden, 1936), contrapunt en fuga (Karel Candael, 1939 en 1940) en het hoger diploma voor piano (Marinus de Jong, 1937). Naast die opleiding volgde hij nog privélessen bij Arthur de Greef en Emile Bosquet in Brussel. Later trouwde hij met Denise Tolkowsky, eveneens pianiste en componiste.

Doorheen de jaren behaalde hij verschillende onderscheidingen: de Alexandre Brailowskiprijs (Luik, 1938), de Virtuositeitsprijs van de Belgische regering (Brussel, 1939), de Lomas-Prijs (Brussel, 1939) en de prijs Albert de Vleeshouwer met de cantate Het Kamp (1939) voor tenor en kamerorkest.

Na zijn opleiding was hij leraar piano aan het Koninklijk Conservatorium van Gent van 1946 tot 1958. Vanaf 1958 tot aan zijn overlijden oefende hij diezelfde functie uit aan het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen. Daar stichtte hij samen met zijn vrouw de prijs De Vries-Tolkowsky. Deze prijs werd uitgereikt aan de student van het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen die het hoogst aantal punten behaalde voor het hoger diploma piano. In 1956 en 1960 maakte hij deel uit van de jury van de Koningin Elisabethwedstrijd. Ook als concertpianist was hij zeer actief met tournees in Europa en Afrika en optredens met belangrijke orkesten onder leiding van A. Cluytens, C. Zecchi, E. Ansermet, P. Colombo en vele anderen.

Tijdens de oorlog moest hij vluchten met zijn vrouw en onderduiken in Gent. Die periode heeft, net zoals bij Denise, weerslag gehad op zijn composities. De titel van de cantate Het Kamp (1939), die tevens met een andere bezetting terug te vinden is in het oeuvre van Denise Tolkowsky, verwijst naar die donkere periode in het leven van het echtpaar. Ook de Suite op Het beleg van Bergen-op-Zoom (voor strijkorkest) duidt op dezelfde thematiek.

Naast de cantate Het Kamp componeerde hij werken voor strijkers zoals een Andante voor strijkers op een thema van Arcadelt. De rest van zijn oeuvre bestaat uit werken voor piano, zoals zijn bewerking van het Pianoconcerto van Aram Katsjaturian dat hij vertolkt heeft onder leiding van de componist en liederen op teksten van Paul van Ostaijen, Willem Kloos, Frederik van Eeden en Karel van de Woestijne.

Alex De Vries’ repertoire bevat veel impressionistische muziek en hedendaagse composities. Hij stelde uitermate hoge eisen aan zichzelf als kunstenaar en zag daardoor zijn artistiek geweten vaak onbevredigd in de herscheppingen van grote meesterwerken. Toch zorgden diezelfde eisen voor hoogstaande artistieke prestaties waardoor Alex de Vries veel prestige verwierf in binnen- en buitenland.

Naast componist was hij gekend als humanist en auteur. Hij schreef verscheidene studies over componisten en muzikale onderwerpen zoals De sonate en Mozart, historisch en stilistisch gesitueerd. Niet alleen het onderwerp muziek kwam aan bod, maar ook andere domeinen zoals geneeskunde, psychoanalyse, filosofie, politiek en economie. Zo schreef hij Inleiding tot de algemene en muzikale geheugenleer (1949, herdrukt in 1973) en talrijke essays zoals De muziek in het oeuvre van M. Proust en A. Huxley en Joodse moraal en politiek.

In 1964 pleegde hij zelfmoord. Zijn vrouw, Denise Tolkowsky, richtte daarop in 1965 het fonds Alex de Vries op dat kansen bood aan jonge musici en hen steunde en begeleidde.
  • Biografie
Meer informatie
Zbigniew Drzewiecki
Polen, °1890 - 1971
Zbigniew Drzewiecki studeerde aan de Wiener Akademie für Musik bij K. Prohaski en volgde privé-les in Wenen bij M. Prentner. Hij maakte zijn debuut als pianist in 1916 in Warschau en was een van de eerste Poolse pianisten die de werken van Scriabin, Debussy, Ravel en Prokofiev uitvoerde, zodat hij in de ogen van conservatieve critici de reputatie kreeg van liefhebber en verspreider van het 'modernisme' en het 'dadaïsme.'

De muziek van Szymanowski vond een speciale plaats in zijn repertoire. De componist en de pianist waren vrienden en deelden een passie voor bridge. Szymanowski wijdde de twee Mazurkas Op. 50: Nr.7 en 8. aan hem. Zbigniew Drzewiecki propageerde ook het werk van andere Poolse hedendaagse componisten als Szałowski, Palester, Kondracki en Szabelski. Hij vervolmaakte zijn muzikale techniek bij Paderewski in Morges.

Als muziekcriticus publiceerde hij artikelen in Muzyka van M. Glinski en Muzyka Polska van K. Regamey, en na de Tweede Wereldoorlog in Ruch Muzyczny. Hij schreef vooral over de pianomuziek van de 20e eeuw, met inbegrip van de werken van Bartok, Berg, Szymanowski, Koffler of Palester, en over de vertolkingen van de muziek van Chopin. Hij raadde eenvoud en gematigdheid aan alsook evenwicht tussen de expressie en vorm in de interpretatie van de muziek van Chopin. In 1930 werd hij prorector van de Muziekschool van Warschau, later omgedoopt tot Academie. In 1931 nam hij de functie van rector over van Karol Szymanowski. Onder zijn studenten tellen we F. Blumental, J. Ekier, R. Etkinówna, B. Kon, H. Czerny Stefańska, L. Grychtołówna, A. Harasiewicz, R. Smendzianka en J. Olejniczak.

In het voorjaar van 1945, samen met een cirkel van medewerkers, richtte Zbigniew Drzewiecki de Hogeschool voor Muziek van Krakau (de huidige Academie voor Muziek) op. Onder de docenten bevonden zich R. Palester, S. Wiechowicz, A. Malawski, J. Hoffman, A. Rieger, H. Sztompka, E. Umińska, B. Rutkowski, B. Romaniszyn, H. Zboińska- Ruszkowska, W. Kaczmar, M. Dziewulska en S. Kisielewski.

Als erkenning voor zijn prestaties ontving hij Nationale Prijzen van de 1e graad (1950, 1952) en in 1955 werd hij geëerd met het Polonia Restituta Kruis.
  • Biografie
Meer informatie
Rudolf Firkusny
Verenigde Staten van Amerika, °1912 - 1994
Rudolf Firkusny studeerde van 1920 tot 1927 zowel piano als compositie bij Janacek, bij Ruzena Kurzova aan het Conservatorium van Brno en bij Vilem Kurz en Rudolf Karel aan het Praagse Conservatorium. Van 1929 tot 1930 volgde hij ook compositie bij Suk. Hij debuteerde in Praag in 1922 en had een actieve loopbaan in Oost-Europa tot in 1933, toen hij voor het eerst optrad in Engeland, en 1938, toen hij zijn Amerikaanse debuut maakte. Zijn composities omvatten een pianoconcerto dat in première ging in 1930, een strijkkwartet en verschillende pianostukken en liederen.

Na zijn Amerikaanse debuut bouwde Rudolf Firkusny een internationale carrière uit als pianist en hij begon later les te geven aan de Juilliard School en de Aspen School of Music. Hoewel het best bekend voor uitvoeringen van het standaard 19e eeuwse repertoire, gaf hij ook tal van kamermuziekoptredens en vertolkte hij hedendaagse en minder bekende werken. Hij gaf premières van werken van Menotti, Barber, Ginastera, Hanson, en Martinu, onder anderen, en hij was in het bijzonder een voorstander van het werk van Dvorak en Janacek.
  • Biografie
Meer informatie
Jacob Flier
Rusland (Federatie), °1912 - 1977
Pianist Jacob Flier was één van de toonaangevende Sovjet-pianisten van zijn tijd en hij had een veel groter internationaal succes kunnen kennen, had de Koude Oorlog-politiek zijn carrière niet belemmerd. Emil Gilels, dan Sviatoslav Richter, en tenslotte Lazar Berman kregen de toestemming om buiten de Sovjet-Unie op te treden, en zo ook Jacob Flier. Maar, in tegenstelling tot de andere drie, heeft hij niet lang meer geleefd nadat hij voor het eerst verscheen in het Westen. Hij heeft het musiceren zelf ook beperkt door zich grotendeels te wijden aan het onderwijs en door af te zien van soloconcerten gedurende een volledig decennium (1949-1959). Toch slaagde hij er in de jaren 1960 en '70 in een schare fans te maken in West-Europa en de Verenigde Staten, en vanzelfsprekend in de Sovjet-Unie. Hij had een boontje voor het romantische repertoire, en dan vooral voor Schumann, Chopin, Brahms, Liszt en Rachmaninov, maar speelde ook werk van tijdgenoten als Kabalevsky. Zijn opnames werden gemaakt voor het Sovjet-label Melodiya, maar een aantal ervan zijn heruitgegeven op Brilliant Classics, Globe en Russian Compact Disc.

Jacob Flier studeerde piano bij Konstantin Igumnov aan het Conservatorium van Moskou. Hij studeerde af in 1934 als één van de meest hoopgevende talenten uit de Sovjet-stal. Hij maakte zijn reputatie waar door in 1936 de eerste prijs van de wedstrijd van Wenen te winnen, met een voorsprong op Emil Gilels.

Het volgende jaar trad hij toe tot de faculteit van het Conservatorium van Moskou en zou daar uiteindelijk hoogleraar (1945) en voorzitter van de piano-afdeling (1965) worden. Onder zijn studenten tellen we componist Rodion Shchedrin, Viktoria Postnikova en Mikhail Pletnev. In 1938 eindigde hij als derde in de Eugene Ysaÿewedstrijd, dat jaar gewonnen door Emil Gilels. Zijn bekendheid deemsterde enigszins weg tijdens de naoorlogse jaren vanwege zijn exclusieve focus op kamermuziekconcerten, maar in de jaren 1960 bouwde hij toch nog een internationale reputatie op.
  • Biografie
Meer informatie
Emil Gilels
Rusland (Federatie), °1916 - 1985
Emil Gilels werd geboren in Odessa en kwam niet uit een muzikale familie: zijn vader werkte als bediende in een suikerfabriek en zijn moeder zorgde voor de grote familie. Op de leeftijd van vijf werd hij naar Yakov Tkach gestuurd, een bekende pianopedagoog in Odessa. Op zijn twaalfde gaf hij zijn eerste openbare concert. In 1930 werd hij toegelaten tot het Conservatorium van Odessa in de klas van Berta Reingbald. Haar voornaamste doel was hem voor te bereiden voor zijn deelname aan de eerste All-Unionwedstrijd voor muzikanten, die werd aangekondigd voor 1933 in Moskou. Gilels' prestatie was een sensatie : toen hij klaar was, brak het auditorium uit in een staande ovatie en zelfs de jury stond recht om te applaudisseren. Unaniem werd hij aangeduid als winnaar. De wedstrijd veranderde zijn leven : hij was plotseling beroemd in het hele land en begon nadien aan een uitgebreide concerttournee doorheen de Sovjet-Unie.

In 1935 studeerde Emil Gilels af aan het Conservatorium van Odessa. Vervolgens werd hij toegelaten tot de klas van Heinrich Neuhaus aan het Conservatorium van Moskou, maar hij bleef concerten geven. Bij zijn aankomst in Moskou begin 1936 bracht dirigent Otto Klemperer Beethovens 3e Piano Concerto met niemand minder dan Gilels als solist. Later in 1936 nam hij deel aan zijn eerste internationale wedstrijd; die van Wenen. Ondanks de aandacht die hij van het Europese publiek kreeg en het onbetwistbare prestige van zijn finaleplaats, was hij niet tevreden met de tweede plaats die hem toegekend werd. De eerste plaats ging naar zijn vriend Jacob Flier, een meer romantische pianist.

In 1938 namen beiden deel aan de Koningin Elisabethwedstrijd. Van hen werd verwacht dat ze de overwinningen van de Sovjet-violisten van een jaar eerder, met onder anderen David Oistrakh als winnaar, zouden evenaren. Gilels werd bekroond met de eerste prijs en Flier kaapte de derde prijs weg. De hele muzikale wereld begon te praten over Emil Gilels. Na de wedstrijd zou hij aan een lange tournee beginnen, met inbegrip van een passage door de Verenigde Staten. Deze plannen werden echter abrupt onderbroken door de Tweede Wereldoorlog. Op eigen bodem werd hij een held: hij kreeg een medaille voor zijn prestaties, werd bij zijn terugkeer met een welkomstfeest vereerd en zijn naam kreeg evenveel bijklank als die van beroemde ontdekkingsreizigers, piloten en filmsterren.

Emil Gilels voltooide zijn studies in 1938 en begon zelf te onderwijzen aan het Conservatorium van Moskou. Door zijn vele concerten kon hij zich niet ten volle wijden aan zijn pedagogisch werk. Toch tellen we onder zijn leerlingen pianisten als Marina Mdivani, Valery Afanassiev, Igor Zhukov en de pianist-componist Vladimir Blok.

Toen de oorlog uitbrak, werd hij niet geëvacueerd met de rest van het Conservatorium. In plaats daarvan sloot hij zich aan bij de weerstand van de burgerbevolking en na een terugkeringsbevel begon hij op te treden aan het front en in ziekenhuizen. Begin 1943 voerde hij Stravinsky's bravourestuk Petroesjka uit voor de vermoeide bewoners van het belegerde toenmalige Leningrad.

Toen de oorlog eindigde, nam Emil Gilels een speciale missie op zich. Hij zou de Kunst van een zegevierend land vertegenwoordigen. Hij besteeg het podium tussen de ruïnes van Oost-Europa en begon al snel na de oorlog concertreizen te maken door Italië, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Oostenrijk, Scandinavië en tal van andere landen. Hij werd onderscheiden met medailles en onderscheidingen en het publiek aanbad hem. In 1955 was Emil Gilels bovendien de eerste Sovjet-muzikant die sinds de Tweede Wereldoorlog door de Verenigde Staten reisde om op te treden.

Van de jaren 1950 tot 1970 stond hij in alle aspecten van zijn muziekspel op het hoogtepunt. Hij concerteerde onder de leiding van gerenommeerde dirigenten als Mravinsky, Melik-Pashayev, Svetlanov, Ivanov, Rakhlin, Gauk, Ginsburg, Eliasberg, Niyazi, Jarvi, Kitayenko, Dudarova, Barshai. Vooral zijn samenwerkingen met Sanderling en Kondrashin waren belangrijk en van lange duur. Binnen de Sovjet-Unie werkte hij verder samen met Gusman, Paverman, Maluntsyan, Gokieli, Kolomiytseva, Shaposhnikov, Gurtovoy, Rabinovich, Katz, Feldman, Vigners, Sherman, Stasevich, Sokolov, Tiulin, Kravchenko, Karapetyan, Dubrovsky, Tolba, Provatorov, Katayev, Aranovich, Chunikhin, Yadikh, Nikolayevsky en vele anderen. Hij ontdekte ook nieuwe, talentvolle dirigenten als Verbintsky en Ovchinikov.

Emil Gilels speelde ook in ensembles: met pianisten Flier en Zak, en later met zijn dochter Elena Gilels, violisten Elisabeth Gilels (zijn zus), Tziganov, Kogan, met het Beethoven Kwartet, in een trio met Tziganov en Shirinsky, evenals zijn eigen trio (Gilels, Kogan, Rostropovich), met fluitist Korneiv en de Franse hoornspeler Shapiro. In het buitenland werkte hij samen met het Amadeus Kwartet en het Sibelius Academy Quartet.

Emil Gilels nam daarnaast intensief platen op voor labels als Melodiya, Angel, Ariola, EMI, Eterna en Deutsche Grammophon, wat leidde tot een indrukwekkende discografie. Zijn vroegste opnames dateren uit de jaren 1930 en omvatten Loeillet-Godowsky's Gigue, de Fantasia op twee thema's uit Le nozze di Figaro van Mozart-Liszt-Busoni, Chopins Ballade nr. 1, de Rhapsodie hongroise nr. 9 van Liszt, Schumanns Toccata en Mendelssohns Duetto uit de Lieder ohne Worte. Al met al nam hij meer dan vijfhonderd werken op (nog afgezien van de meerdere versies die er van zijn hand bestaan van een aantal cycli en individuele stukken).

Hij was nog voorzitter van de jury van de eerste vier Internationale Tchaikovskywedstrijden, maar aan het einde van de jaren 1970 stopte Emil Gilels met al zijn activiteiten buiten het optreden. Hij trok zich terug als jurylid van internationale pianowedstrijden en gaf geen les meer.

Hij werd benoemd tot Artiest van het Volk van de Sovjet-Unie, ontving de Leninprijs (1962) en in 1976 ontving hij ter ere van zijn zestigste verjaardag de toenmalige hoogst mogelijke overheidsprijs, die van Held van de Socialistische Arbeiderspartij.
  • Biografie
Meer informatie
Nikita Magaloff
Georgië, °1912 - 1992
Nikita Magaloff was een van de meest charismatische pianisten van de twintigste eeuw. Veel van zijn opnames zijn nog steeds beschikbaar en klinken modern, maar deze musicus was ooit bevriend met Rachmaninov, Prokofiev, van wie hij compositielessen kreeg, en Ravel, die een enthousiast bewonderaar van hem was. Hij concerteerde met de belangrijkste dirigenten en orkesten van toen en op de meest prestigieuze festivals. Hij werkte ook samen met toonaangevende strijkers als violist Joseph Szigeti.

Hij was kosmopolitisch ingesteld en had een breed repertoire met een voorkeur voor Chopin : hij speelde vaak volledige programma's met enkel werk van Chopin en had de eer de eerste te zijn om alle pianostukken van Chopin op te nemen. Maar zijn repertoire omvatte ook Beethoven, Mendelssohn, Mozart, Brahms, Schumann, Liszt, Debussy, Ravel, Fauré, Prokofiev, Rachmaninov, Stravinsky, Scriabin, en vele anderen. Veel van zijn opnames zijn beschikbaar bij Philips en Decca.

Nikita Magaloff werd geboren in St. Petersburg in 1912. Zijn familie vluchtte voor de revolutie toen hij zes was, reisde eerst naar Finland, vervolgens naar de Verenigde Staten, om zich uiteindelijk te vestigen in Parijs in 1922. Hij studeerde er aan het Conservatorium, waar zijn belangrijkste leraar Isidor Philipp was.

Het was in het Parijs van de jaren '20 dat Nikita Magaloff Prokofiev, Ravel en Rachmaninov ontmoette, componisten wiens muziek en invloed een belangrijke rol gespeeld hebben in zijn carrière. Ook raakte hij daar bevriend met Szigeti, die hem een breed scala van kamermuziek liet ontdekken en wiens dochter hij later zou trouwen.

Hoewel hij van de jaren 1920 tot 1950 erg actief was op tal van concertpodia en in de opnamestudio, leek zijn carrière pas vleugels te krijgen na 1960, misschien een gevolg van het stopzetten van zijn onderwijsactiviteiten ; van 1949 tot 1959 gaf hij regelmatig masterclasses aan het Conservatorium van Genève. Maar een deel van zijn late succes is misschien ook te danken aan de verandering in zijn stijl : hij nam meer risico, toonde een grotere passie en speelde met meer pit.

De meeste van de nog beschikbare opnames van Nikita Magaloff werden gemaakt na 1960. Hij bleef bezig gedurende de laatste drie decennia van zijn carrière en gaf zelfs aan het eind nauwelijks gas terug : in het seizoen 1990-1991 wijdde hij een zesdelige concertserie bijna volledige aan het oeuvre van Chopin.
  • Biografie
Meer informatie
Witold Malcuzynsky
Polen, °1914 - 1977
Witold Małcużyńsky won third prize of the 3rd Fryderyk Chopin International Piano Competition in Warsaw (1937). His musical talents became evident when he was five years old. Initially he was drawn to composition - he even wrote two short piano pieces entitled Night on the Niemen and Oberek. He began systematically studying the piano at the age of nine.

In 1929, he was accepted at the Warsaw Conservatory in Jerzy Lefeld’s piano class, under whose guidance he developed his talent until 1932. After graduating in 1932, he began higher studies at the conservatory with Józef Turczyński. He simultaneously began studying law and philosophy at the University of Warsaw.

Witold Małcużyńsky completed the Conservatory in 1936, receiving his diploma with honours. The same year, a few days before his final exam, he won the fifth award at the International Music Competition in Warsaw and debuted at the Warsaw Philharmonic, sensationally performing Liszt’s II Concerto in A major and playing Karol Szymanowski’s Variations in B minor as an encore.

After the dates of the Third Chopin Competition in Warsaw were officially announced (21 February - 12 March 1937), he decided to take part. In order to prepare his repertoire, and at the request of Turczyński, he travelled to Morges, to Paderewski. After a careful listening, Paderewski decided to take particular care of him and took him under his pedagogical wing for several months in 1936-37.
His participation in the Chopin Competition concluded with his winning the third award.

Despite his success in this competition, his popularity with the public and counter to all predictions, Witold Małcużyńsky didn’t develop his stage career. He decided to continue his studies and broaden his repertoire. With this as a goal he left for Paris and for several months, spanning 1937-38, he attended lessons with Marguerite Long and Isidore Philippe. In mid-1938, the pianist returned to Poland. Shortly thereafter he gave several concerts in Warsaw and went on a countrywide tour, playing small provincial cities as well as larger centres. Towards the end of the following year he returned to Paris in order to wed pianist Colette Gaveau.

The outbreak of World War II found him in Paris. In January 1940, Witold Małcużyńsky debuted in great style in Paris performing Chopin’s Second Concerto in F minor. He received rave reviews. After the fall of France, he left Paris and reached Lisbon in a sealed train, then sailed on to Argentina.
In November 1940, the pianist gave his first concert in Buenos Aires. Shortly thereafter he was playing dozens of concerts over the whole continent attaining unimaginable popularity.

The fame he attained in South America resulted in a proposition to perform at New York’s Carnegie Hall. In April 1942, Witold Małcużyńsky gave a recital worthy of the famous hall. After his New York triumph, he began a grand tour around the USA. He played with the greatest conductors (Koussewitzky, Monteux, Paray, Mitropoulos, Reiner and Szell among others) and orchestras, in the greatest halls and drawing thousands of listeners.

Towards the end of the war (March 1945), Witold Małcużyńsky got to England by army transport and gave a concert in London. A few months later he appeared in Paris, where the public discovered him anew. From this moment his career took-off at a breath-taking pace. Every year he performed dozens of concerts on different continents and he recorded for renowned labels (Columbia, Angel, EMI).
  • Biografie
Meer informatie
Henry Piette
Meer informatie
Francis Poulenc
Frankrijk, °1899 - 1963
1899 Naissance de Francis Poulenc, le 7 janvier. Son père Emile Poulenc, né en 1855, est un industriel d'origine aveyronnaise qui avec ses deux frères dirige une usine de produits chimiques. Sa mère Jenny Royer, est parisienne depuis plusieurs générations et est descendante d'une famille d'artisans.

1904 Jenny assoit le jeune Francis au piano et le fait travailler Mozart, Schubert et Chopin mais également l'« adorable mauvaise musique » que sont les romances à la mode.

1911-13 L'oncle Papoum, (Marcel Royer, frère de Jenny) qui fréquente l'Opéra Comique, le boulevard et les concerts d'avant-garde, fait découvrir au jeune Francis Petrouchka et Le Sacre du Printemps de Stravinsky. C'est une véritable révélation pour lui, et le compositeur demeurera toute sa vie durant un maître envers qui son admiration sera immense.

1914 Son père exigeant qu'il fasse des études générales et ne se consacre pas exclusivement à la musique, Francis Poulenc ne fréquente pas le conservatoire; rencontre avec Ricardo Viñes, professeur catalan introduit par Geneviève Sienkiewicz.

1914-17 Viñes lui enseigne la musique de son temps, celle de Debussy, Stravinsky et Satie; il l'introduit à Falla, Cocteau, Marcelle Meyer et Satie. Le jeune Poulenc fait la connaissance de Milhaud.

1915 Disparition de sa mère Jenny

1917 Disparition de son père. Installation chez sa sœur Jeanne (1887-1974) et son mari, rue de Monceau. Grâce à son amie d'enfance Raymonde Linossier (1897-1930), Poulenc découvre le milieu intellectuel et littéraire parisien : premières visites régulières à la librairie d'Adrienne Monnier (La Maison des Amis des Livres), située au 7 rue de l'Odéon, lieu où il pourra faire connaissance avec Aragon, Breton, Eluard et Apollinaire. Ce dernier, qui aura une influence durable sur Poulenc, y lit ses propres poèmes et donne la première des Mamelles de Tirésias en juin, œuvre qui sera mise en musique par Poulenc à la fin des années 40. Le 11 décembre, création de Rapsodie Nègre, sa première œuvre, pour voix (baryton) et ensemble instrumental (flûte, clarinette, quatuor à cordes et piano).

1918 Mobilisation en janvier à Vincennes, puis au ministère de la Guerre jusqu'à 1921. Fait la connaissance de Manuel de Falla chez Ricardo Viñes.

1918 Premier groupe de compositions qui avec l'aide de Stravinsky, seront dès l'année suivante au catalogue de l'éditeur londonien Chester : Toréador, sur des poèmes de Jean Cocteau, la Sonate pour deux clarinettes, la Sonate pour piano à quatre mains, les trois Mouvements perpétuels. Fréquente Cocteau, Radiguet, Max Jacob.

1919 Création du Bestiaire d'après des poèmes de Guillaume Apollinaire (avec Suzanne Peignot, amie et première interprète des mélodies du compositeur)

1920 Cocardes, crées au Théâtre des Champs-Élysées, remportent un beau succès. Ces trois mélodies sur un poème de Cocteau sont inspirées de l'atmosphère de Nogent-sur-Marne - celle des fêtes foraines, bal musettes et guinguettes - où Poulenc passait ses vacances en famille et entre amis.
Le Groupe des Six est formé (Auric, Durey, Honegger, Milhaud, Poulenc et Tailleferre).

1921 Le Gendarme Incompris, de Jean Cocteau et Raymond Radiguet, présenté en mai au Théâtre Michel. Création en juin des Mariés de la tour Eiffel, première oeuvre d'importance du groupe des Six, limité à cinq pour cette occasion (Poulenc, Auric, Milhaud, Honegger, Tailleferre). Misia Sert assiste à la représentation et introduit le jeune Poulenc à Serge Diaghilev, le grand maître des ballets russes, très en vogue en ce début des années 20.
Début du précieux enseignement pianistique de Charles Koechlin (1867-1950), qui durera quatre ans, avec qui il apprend la technique du contrepoint et l'écriture chorale.

1922 Quatre Poèmes de Max Jacob. Sonate pour clarinette et basson. Sonate pour cor, trompette et trombone. Fait la connaissance d'Henri Sauguet. Pendant quelques semaines, Poulenc accompagne Darius Milhaud et Marya Freund en Europe Centrale où il rencontre Berg, Schoenberg et Webern à Vienne.

1924 Création en janvier à Monte-Carlo du ballet Les Biches, par les Ballets russes, à la demande de Serge Diaghilev. Décors et costumes de Marie Laurencin. L'œuvre remporte un vif succès.

1926 Création en mai du Trio pour hautbois, basson et piano. Le même mois, création des Chansons Gaillardes avec Pierre Bernac. Wanda Landowska, rencontrée chez la princesse de Polignac, commande à Poulenc un concerto pour clavecin.

1927 Acquisition du Grand Coteau, sa maison secondaire à mi-chemin entre une maison de maître et une maison de vigneron, entourée de vignes et de terrasses aménagées par des « jardins à la française ». Cette demeure de Touraine située à côté du village de Noizay, entre Amboise et Vouvray, permet au compositeur de fuir les distractions parisiennes et de s'atteler à la composition dans une solitude bénéfique.

1929 Création en mai à Paris du Concert Champêtre par Wanda Landowska et l'orchestre symphonique de Paris, dirigé par Pierre Monteux. Composition des Nocturnes, au nombre de huit, pour piano seul.
Création de Aubade, pour piano et dix-huit instruments, sur une commande du vicomte Charles et de la vicomtesse Marie-Laure de Noailles.

1930 La mort de Raymonde Linossier, le 30 janvier, affectera profondément Poulenc qui ressentait envers elle une amitié profonde datant de son enfance, voire certainement un amour inavoué.

1931 Création des deux cycles de mélodies que sont les Quatre Poèmes de Guillaume Apollinaire et les Cinq Poèmes de Max Jacob.

1932 Création du Bal Masqué sur une commande du couple Noailles, d'après Max Jacob (cantate profane pour baryton et orchestre de chambre)
Concerto pour deux pianos sur une commande de la princesse Edmond de Polignac. On y retrouve des thématiques inspirées de Ravel, Mozart (son concerto K 537 assurément), et du jazz. La création eu lieu le 5 septembre à Venise, avec Francis Poulenc et Jacques Février en solistes accompagnés par l'orchestre de la Scala de Milan.

1933 Première audition du Sextuor, qui sera par la suite remodelé en 1940, et des Improvisations pour piano, données pour la première fois à la Salle Gaveau. Comme les créations rapportent peu, Poulenc commence à donner ses premières conférences et à jouer en concert afin de gagner un peu mieux sa vie.

1934 Huit Chansons polonaises, crées par la chanteuse Marya Modrakowska. Cinq poèmes de Pierre Ronsard crées par la soprano Suzanne Peignot en mars, avec piano, et décembre dans sa version pour orchestre.
Poulenc est invité le 21 août à participer à un concert de musique française à Salzbourg. Il trouve à son hôtel une invitation de Pierre Bernac le baryton des Chansons Gaillardes, pour accompagner du Debussy. Cette rencontre inattendue verra Poulenc se rapprocher de celui qui sera son chanteur masculin attitré pour la création de l'ensemble des mélodies, ce jusqu'à la fin de leur carrière commune.

1936 Composition des Soirées de Nazelles, dans l'esprit des « Folies Françaises » de Couperin pour piano, selon les mots de l'auteur. Installation rive gauche au 5 rue de Médicis en face du Luxembourg, dans l'immeuble de l'oncle Papoum.
Après avoir appris la terrible mort de son ami et compositeur Pierre-Octave Ferroud, Poulenc visite à Rocamadour le sanctuaire de la Vierge Noire. C'est un choc religieux immense à l'image d'une véritable révélation spirituelle qui influencera durablement sa musique. En sept jours, il achève la composition des Litanies à la Vierge Noire, pour chœur de femmes et orgue. Elles seront crées le 17 novembre à Londres par Nadia Boulanger, lors d'un concert de la BBC. La première audition française aura lieu à Lyon, à la salle Rameau, le 3 mai 1937, par les Chœurs de Lyon, lors d'un concert radiodiffusé en direct.

1937 Création avec Pierre Bernac le 3 février à la salle Gaveau de Telle jour telle nuit sur des poèmes de Paul Eluard. Ce cycle est certainement un des plus accomplis de Poulenc et reflète une unité de construction exceptionnelle. Création en février le 21 mai à Gaveau de Sept Chansons pour chœur a cappella. Création à Lyon de Sécheresses, œuvre contemporaine pour chœur mixte et orchestre sur des poèmes de Edward James (1908-1984), qui demeure encore à ce jour particulièrement méconnue et peu jouée.

1938 Création par les chœurs de Lyon de la Messe en sol majeur, le 3 avril à Paris, première œuvre religieuse a cappella. Création de Trois Poèmes de Louise de Vilmorin à la salle Gaveau le 28 novembre 1938. Priez pour Paix, septembre.

1939 Alors qu'une première audition privée a eu lieu en décembre 1938 chez les Polignac, le Concerto pour orgue fait l'objet d'une première audition publique le 21 juin 1939 à la salle Gaveau. Maurice Duruflé tient l'orgue et Roger Desormière dirige l'Orchestre Symphonique de Paris. Quatre Motets pour un temps de pénitence pour chœur mixte a cappella sur des textes en latin sont crées en février à l'église Saint-Etienne du Mont par les Petits Chanteurs à la Croix de Bois. Composition du Sextuor et du cycle de mélodie Fiançailles pour rire d'après des poèmes de Louise de Vilmorin.

1940 Mobilisé à Bordeaux puis démobilisé à Brive-la-Gaillarde, Poulenc commence à travailler L'Histoire de Babar, et son cycle de mélodies Banalités sur des poèmes d'Apollinaire.

1941 Deux motets pour chœurs mixtes a cappella sont écrits en mai, Salve Regina et Exultate Deo.

1942 Le cycle de mélodies Fiançailles pour rire, sur des poèmes de Louise de Vilmorin est crée par Geneviève Touraine, sœur du baryton Gérard Souzay, le 21 mai 1942 à l'Ecole Normale de musique, renommée plus tard la salle Cortot. Le 8 août, création du ballet Les Animaux Modèles à l'Opéra de Paris (chorégraphie de Serge Lifar)

1943 Sonate pour violon et piano en juin dédiée à la mémoire de Federico Garcia Lorca, que le compositeur considèrera « comme ratée ». Le même mois, Poulenc crée Les Chansons Villageoises dans une version pour voix et orchestre à laquelle on substitue presque systématiquement de nos jours celle pour piano. Métamorphoses d'après des poèmes de Louise de Vilmorin et C d'après Louis Aragon. Décès de Ricardo Viñes au printemps.

1944 Max Jacob, qui était juif, est arrêté par la Gestapo à Orléans en février avant d'être déporté au camp de Drancy, où il meurt d'épuisement deux semaines plus tard en dépit de diverses interventions pour le faire libérer, dont celles de Jean Cocteau et Sacha Guitry. Composition à Noël d'Un soir de neige, œuvre polyphonique a cappella sur des poèmes de Paul Eluard. L'œuvre sera crée le 21 avril 1945 à Paris.

1945 Figure Humaine, pour double cœur a cappella sur des poèmes de Paul Eluard, crée en anglais par les BBC Singers de Londres, le 25 mars, puis en français pour la première fois le 2 décembre 1946 à Bruxelles par les Chœurs de la radiodiffusion flamande. Œuvre d'une grande modernité et maîtrise polyphonique, elle marque un tournant dans le travail du compositeur.
L'année 1945 est également l'occasion pour Poulenc de jouer en janvier à Londres son Concerto pour deux pianos avec Benjamin Britten. Le premier récital Poulenc-Bernac est donné la même année au Wigmore Hall.

1946 Création le 14 juin de l'Histoire de Babar, d'après le texte de Jean de Brunhoff, avec Pierre Bernac comme récitant.

1947 Déménagement dans un appartement plus grand du 5 rue de Médicis (au 6e étage), où le compositeur résidera jusqu'à sa mort, en janvier 1963.
Les Mamelles de Tirésias d'après un « drame surréaliste » de Guillaume Apollinaire

1948 Création le 24 octobre de la Sinfonietta par le BBC Philarmonic Orchestra dirigé par Roger Desormière. Calligrammes d'après Apollinaire. Le 7 novembre, le duo Bernac-Poulenc fait ses débuts américains au Town Hall de New York, puis réalise une tournée américaine (Chicago, Los Angeles, San Francisco) et canadienne. Quatre Petites Prières de saint François d'Assise.

1949 Création le 18 mai à la salle Gaveau de la Sonate pour violoncelle et piano. Composition du Concerto pour piano.

1950 Création le 6 janvier du Concerto pour piano avec l'Orchestre symphonique de Boston dirigé par Charles Munch. En novembre, Poulenc et Bernac créent la Fraîcheur et le Feu, sur des poèmes de Paul Eluard.

1951 Création le 13 juin au Festival de Strasbourg du Stabat Mater (pour soprano, chœur mixte et orchestre) sous la direction de Fritz Munch et la soprano Geneviève Moizan, dédié à la mémoire du peintre et ami Christian Bérard.

1952 Quatre Motets pour le temps de Noël, pour chœur mixte a cappella. Mort de Paul Eluard le 18 novembre, à l'âge de 57 ans.

1953 Poulenc démarre la composition des Dialogues des Carmélites, dont il a accepté la commande des éditions milanaises Ricordi après avoir pris connaissance du texte de Georges Bernanos. Il compose notamment à l'hôtel Beau-Rivage de Lausanne, puis à partir de janvier 1954 au Majestic, à Cannes. Sonate pour deux pianos, crée le 2 novembre.

1954 Tournée en Egypte avec Bernac. Les récitals se poursuivent en Europe (Londres, Amsterdam, Allemagne).

1955 Décès d'Adrienne Monnier, de Lucien Roubert et d'Arthur Honegger. Dans ce climat de profonde tristesse, Poulenc termine la composition des Dialogues des Carmélites dans sa version préliminaire pour piano.

1956 Composition du Travail du Peintre, cycle de mélodies sur des poèmes d'Eluard dont il retient une mélodie pour Picasso, Chagall, Braque, Juan Gris, Klee, Miro et Jacques Villon. Termine l'orchestration des Dialogues.

1957 Le 26 janvier a lieu la première audition, en italien, des Dialogues des Carmélites à la Scala de Milan. Le 18 juin, création de la Sonate pour flûte, au Festival de Strasbourg avec Jean-Pierre Rampal accompagné par Poulenc lui-même. Trois jours plus tard a lieu à l'Opéra Garnier la création parisienne des Dialogues, qui seront repris le 8 novembre de la même année. C'est un immense succès et un grand soulagement pour Poulenc qui s'était investi comme jamais en temps et en énergie dans la composition d'une œuvre musicale. Composition de l'Elégie pour cor et piano.

1958 Composition de la Voix Humaine, tragédie-lyrique sur un texte de Cocteau de 1930.

1959 Création le 6 février à l'Opéra Comique de la Voix Humaine. Denise Duval est la bouleversante interprète principale et Cocteau lui-même signe la mise en scène.
Le 27 mai a lieu à la salle Gaveau le soixantième anniversaire de Poulenc et dernier concert du merveilleux duo Bernac-Poulenc, Bernac faisant alors ses adieux à la scène.
Composition des Laudes de saint Antoine de Padoue. Composition de l'Elégie pour deux pianos.

1960 Tournée américaine et création le 23 février de la Voix Humaine aux Etats-Unis (au Carnegie Hall de New York avec Denise Duval), ainsi que des Mamelles de Tirésias.

1961 Dernier voyage aux Etats-Unis. Création le 20 janvier à Boston du Gloria, grand motet pour soprano solo, chœur mixte à quatre parties et orchestre. Alors que Charles Munch dirigeait cette création américaine, c'est Georges Prêtre qui dirige l'ONF et les chœurs de la RTF le 14 février. Parution de la version pour orchestre de Babar à la demande de Poulenc, réalisée par son ami Jean Français. Le 5 décembre, Denise Duval donne la Dame de Monte-Carlo, au Théâtre des Champs-Elysées, avec l'ONF dirigé par Georges Prêtre. La version pour piano est aujourd'hui beaucoup plus jouée.
Poulenc publie un ouvrage sur Emmanuel Chabrier.

1962 Sept Répons pour les ténèbres. Composition des Sonate pour clarinette et piano et Sonate pour hautbois et piano, posthumes, dont les créations ont lieu après la mort de Poulenc, en avril et juin 1963.

1963 Décès le 30 janvier, d'une crise cardiaque, à son domicile 5 rue de Médicis. A la demande du compositeur, les funérailles ont lieu dans la plus grande simplicité, avec pour seule musique Bach. Francis Poulenc est enterré au Père Lachaise, aux côtés de sa famille.
  • Biografie
Meer informatie
Vesseline Stoyanov
Bulgarije (Rep.), °1902 - 1969
Vesseline Stoyanov, zoon van Anastas Stoyanov en broer van Andrey Stoyanov, behoort tot de tweede generatie van de Bulgaarse componisten. Hij was een van de oprichters van de Hedendaagse Muziekvereniging in 1933 (later de Unie van Bulgaarse Componisten). Hij studeerde af aan de Rijksacademie voor Muziek in 1926, met als hoofdvak piano (bij zijn broer). In hetzelfde jaar schreef hij zich in aan de Weense Hochschule für Musik om piano te studeren bij V. Ebenstein en compositie bij F. Schmidt. Hij nam privé-lessen piano bij P. de Kohn en orkestratie bij Wunderer. Bij zijn terugkeer naar Bulgarije begon hij piano en muziektheorie te doceren (1931-1937) en hij werkte als pianist en dirigent. In 1937 begon hij aan de Staatsacademie muziektheoretische vakken te onderwijzen en in 1945 compositie en vormleer. Uiteindelijk werd hij verkozen tot decaan van de Faculteit Muziektheorie (1952) en rector van de Staatsacademie (1956-1962). Hij was ook directeur van de Opera van Sofia (1953-1954). Hij schreef en publiceerde artikels over muziekesthetiek, vormleer en hedendaagse Bulgaarse muziek.
  • Biografie
Meer informatie
Eugène Traey
België, °1915 - 2006
Eugène baron Traey (1915-2006), uit Belgische ouders in Amsterdam geboren, studeerde aan het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen bij Emmanuel Durlet. Hij zette zijn studies voort bij Robert Casadesus in Parijs en bij Karl Leimer en Walter Gieseking in Duitsland. Na deze internationale opleiding als pianist gaf hij naast zijn concertloopbaan les aan het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen, waar hij tot 1980 directeur was. Hij gaf recitals, concerten met orkest en speelde kamermuziek met Arthur Grumiaux en Jean Laurent en pianoduo's met Frédéric Gevers. Hijwas de grondlegger van kunstencentrum deSingel in Antwerpen en was geregeld jurylid bij gerenommeerde internationale muziekwedstrijden (Moskou, Warschau, München, Tokio e.a.). Eugène Traey was van 1982 tot 1995 juryvoorzitter van de Koningin Elisabethwedstrijd.
  • Biografie
Meer informatie
Aline van Barentzen
Verenigde Staten van Amerika, °1897 - 1981
Aline van Barentzen (1897-1981) still holds the record as the youngest pianist, at 11 years old, to have won the First Prize at the Paris Conservatory. Her first recital was at the age of four, after which her mother moved with her from Boston to Paris for further music studies. Practicing six hours a day, at the age of seven she performed Beethoven's First Piano Concerto with orchestra, and at nine was accepted into the Paris Conservatory. Her teachers there included Marguerite Long and Delaborde. Later she studied in Berlin with Heinrich Barth and Ernst von Dohnanyi (among her fellow students were Artur Rubinstein and Wilhelm Kempff), and in Vienna with Leschetizky.

With Paris as her home she became friends with many of the leading musicians and composers of the early twentieth century, including Enesco, Poulenc, Messiaen, Roussel, and Villa Lobos, whose works she often premiered. She performed frequently throughout Europe with the leading conductors and recorded for His Master's Voice. She became a French citizen in the 1930's and spent the war in Paris, playing concerts as part of the effort to boost morale. In an interview/article in Clavier magazine, February 1981, she tells of how she was programmed to play Chopin's B minor Sonata and both volumes of the Etudes for the first half of a war-time concert, and of how she barely had the energy to make it through, due to the severe food shortages.

Aline absorbed scores quickly, learning all 24 Debussy Preludes during a vacation, and the Brahms Paganini Variations in five days. At one time she had an active repertoire of over 500 works. Her extensive early training resulted in complete technical mastery, it being told that when she went to study with Leschetizky he declared himself satisfied with her technique and spent his time on interpretation. Even though French music was her specialty she also recorded all of Beethoven's 32 sonatas for French Radio, and included a wide range of repertoire in her programs.

Her early teaching assignments included the Philadelphia Musical Academy and the Buenos Aires Conservatory. In 1954 she became Professor of Piano at the Paris Conservatory and can count Jean-Philippe Collard and Cyprien Katsaris among her famous students. She was decorated three times by the French government: the Chevalier des Arts et Lettres (1962), the Chevalier de la Legion d'Honneur (1966), and the Officier de l'Ordre National du Merite (1975). In 1976 the Brazilian government bestowed upon her the Villa-Lobos Gold Medal. She was a frequent jury member of leading piano competitions and was at one time the president of the Bach-Leveque piano competition. She also composed piano pieces under her married name of Hoyle.
  • Biografie
Meer informatie
Herbeleef de optredens van Piano 2021
H.M. Koningin Mathilde
Volg ons op Instagram
Deze Website maakt gebruik van cookies om u de best mogelijke ervaring te bieden.
Door op « ACCEPTEREN » te klikken of door verder te gaan met het gebruik van de Website, aanvaardt u het gebruik van cookies in uw webbrowser. Voor meer informatie over ons cookiebeleid en de verschillende soorten cookies die worden gebruikt, klikt u op Meer informatie
ACCEPTEREN